Buurthuis in het water
Vorige week ging ik twee keer zwemmen en vanmorgen lag ik alweer in het zwembad. Ik wil niet te vroeg juichen, maar dit begint verdacht veel op een gewoonte te lijken. Vanmorgen vroeg ik me onderweg af hoe druk het eigenlijk zou zijn. De zomervakantie is voorbij, de scholen zijn weer begonnen en het gewone leven komt overal langzaam op gang. Hoeveel mensen zouden er rond half negen in zo’n zwembad liggen? Nou, best heel veel. En ik kwam er al snel achter dat baantjes trekken op een doordeweekse ochtend niet uitsluitend een sportieve aangelegenheid is. Het is vooral een sociale.
Buurthuis met badmuts
De gemiddelde leeftijd schat ik op zo’n vijfenzeventig plus. Mannen, vrouwen, alles zwemt er tussendoor. Met badmuts. Zonder badmuts. Met duikbril. Zonder duikbril. In een behoorlijk tempo of met een zwemtechniek waarbij ik vooral heel blij was dat de bodem op 1 meter 40 stond. Maar gezwommen werd er. Hoewel. Er werd vooral ook heel veel gepraat. Na de zomervakantie hadden mensen elkaar duidelijk gemist. Overal stonden kleine groepjes in het water bij te praten. Vakanties werden doorgenomen, nieuwe heupen en knieën besproken en iemand had zelfs een doos met puzzelstukjes meegenomen om te ruilen. Ja, echt. Een doos. Met puzzelstukjes. Naar het zwembad.
Op dat moment wist ik eigenlijk al genoeg: ik was niet in een zwembad beland, maar in een buurthuis met chloor. Er werd ook uitgebreid gesproken over het weer. Dat het buiten zo grijs was. En nat. En dat ze straks door de regen weer naar huis moesten. Waarbij ik dan denk: je bent al nat. Hoeveel erger kan het nog worden? Ondertussen probeerde ik mijn baantjes te trekken. Dat ging niet overal even soepel, want een aantal zwemmers had de doorzwembaan inmiddels omgebouwd tot ontmoetingsplek. De bodem is daar 1 meter 40 diep en dat blijkt een uitstekende hoogte om met een groepje uitgebreid het leven door te nemen.
Tot de badmeester het genoeg vond. Of ze misschien ergens anders verder konden praten. In het bubbelbad bijvoorbeeld. Of na afloop met een kop koffie. Want er waren ook nog mensen die daadwerkelijk wilden zwemmen. Hij zei het streng genoeg om duidelijk te zijn en met precies genoeg knipoog om niemand echt op de tenen te trappen. Veel indruk maakte het overigens niet. Er werd rustig verder gekeuveld.
En terwijl ik er weer langs zwom, begon ik steeds meer plezier te krijgen in het tafereel. Want tussen al het gepraat over vakanties, nieuwe gewrichten, puzzelstukjes en regen gebeurde er nog iets anders. Mensen waren oprecht blij elkaar weer te zien. ‘Hoe was je vakantie?’ ‘Ben je er weer?’ ‘Hoe gaat het met je?’ Er werd naar elkaar gevraagd. Gelachen. Iemand botste tijdens iets te enthousiast op de rug zwemmend tegen een ander aan en verontschuldigde zich. Er werd ruimte gemaakt voor elkaar. En ondertussen zwom iedereen op zijn eigen manier verder. Of stond stil. In de doorzwembaan. Maar daar hadden we dus de badmeester voor.
En tussen alle vijfenzeventigplussers ontdekte ik nog een andere categorie. Ouders. Ook zij leken blij elkaar na de vakantie weer te zien. De kinderen waren die ochtend op tijd op school afgeleverd en daarmee kon blijkbaar ook hun wekelijkse combinatie van baantjes trekken en bijkletsen weer worden hervat.
Ik zwem nog even door
Ik zwom ondertussen rustig verder. Mijn tempo zal voorlopig geen reden zijn voor de badmeester om er een stopwatch bij te pakken. Mijn techniek waarschijnlijk ook niet. Maar hé, ik beweeg. En het aardige van mensen observeren tijdens het zwemmen is dat de tijd verrassend snel gaat. Voor je het weet heb je toch weer de nodige banen achter de rug. Misschien was dat wel wat me vanmorgen het meest bijbleef. Niet hoeveel banen ik had gezwommen. Niet mijn tempo. Zelfs niet dat ik voor de derde keer was gegaan. Maar al die ontmoetingen in het water. Mensen die elkaar iedere week zien. Die weten wie er op vakantie is geweest en wie een nieuwe knie heeft gekregen. Die blijkbaar zelfs weten wie er nog een puzzel nodig heeft. Die vragen hoe het gaat en het merken wanneer iemand een tijdje niet is geweest. Een buurthuis in het water dus. Er werd alleen geen koffie geschonken. Hoewel ik na die doos met puzzelstukjes eigenlijk nergens meer van opkijk.
Toen ik naar huis reed, moest ik ineens denken aan de boeken van Hendrik Groen. Je zou volgens mij moeiteloos een hele serie kunnen schrijven over zo’n zwembad op een doordeweekse ochtend. Over wat er aan de rand wordt besproken, wat er midden in de doorzwembaan wordt gedeeld en welke kleine en grote levensverhalen er tussen de badmutsen en duikbrillen rondzwemmen.
Misschien moet ik voorlopig gewoon blijven observeren. Goed voor de inspiratie. En voor mijn goede voornemen. Want ongemerkt zwem ik zo toch mijn baantjes. En ik kan je vertellen: de koffie thuis smaakte daarna extra lekker.


