Tussen klei en controle
Ik heb van nature de neiging om dingen graag samen met iemand te ondernemen. Alleen ergens op een terras een kopje koffie drinken doe ik bijvoorbeeld zelden. Niet omdat ik het niet kan, maar omdat ik het meestal gewoon niet bedenk.
Toch heb ik mezelf voorgenomen om daar iets in te veranderen. Gewoon wat vaker alleen dingen doen. Niet steeds wachten tot iemand meegaat, maar gewoon gaan.
Een nieuw begin
Zo kwam ik bij een cursus pottenbakken terecht. Ik had ooit eens een workshop gevolgd en vond dat toen verrassend leuk. En ergens bleef dat idee hangen: zou ik dat nog steeds leuk vinden? Op de eerste avond stonden er draaischijven klaar in een ruimte die rook naar klei en natte aarde. Alleen die geur al vond ik eigenlijk al bijzonder rustig. We kregen uitleg over het centreren van de klei. Over druk, balans en gevoel. Over loslaten, maar tegelijk ook niet te veel. Ik knikte alsof ik het allemaal precies begreep. “Je gaat een kopje maken,” zei de docent. En ik dacht eerlijk gezegd meteen: dat klinkt best ambitieus.
Want mijn eerste poging leverde van alles op, behalve een kopje. Het werden vormen. Sommige bijna mooi, andere vooral… interessant. Een soort tussenstadium van iets wat misschien ooit een kopje had kunnen worden. Een echte cilinder, zoals de docent het noemde, zat er in elk geval nog niet in. Maar wat er wel gebeurde, was eigenlijk het mooiste van die avond.
Even alleen maar doen
Ik zat daar met mensen die ik niet kende, met mijn handen in de klei, en er was even niks anders. Geen mails, geen lijstjes, geen dingen die nog moesten. Alleen die draaischijf en het proberen iets recht te krijgen wat steeds weer eigenwijs scheef wilde.
Mijn werk is heel veel in denken. Schakelen. Plannen. Oplossen. Dingen overzien. En daar zat ik ineens iets te doen wat vooral niet denken was. Gewoon voelen. En dat voelde eerlijk gezegd heerlijk. Voelen bij pottenbakken dus. Ik moest er zelf een beetje om lachen dat dat blijkbaar een serieus onderdeel van de les was.
“Het gaat om het proces,” zei de docent nog. En ik knikte weer. Maar ondertussen dacht ik ergens stiekem: ja… maar een kopje zou ook wel fijn zijn. We zijn er goed in, denk ik. Zeggen dat het om het proces gaat. En tegelijk toch hopen dat er aan het einde iets staat wat een beetje lijkt op wat we voor ogen hadden.
Op de terugweg
Aan het eind van de avond stond er van mij geen kopje op de plank. Alleen een paar vormen die je met een beetje fantasie misschien het begin van iets kon noemen. Ze verdwenen weer in de bak met klei. Ik keek ernaar en wist even niet of ik moest lachen of een beetje teleurgesteld moest zijn. Waarschijnlijk allebei een beetje.
Toch merkte ik op de fiets naar huis dat er iets veranderd was in hoe ik erop terugkeek. Niet alleen wat er niet gelukt was, maar ook wat er wel was gebeurd. Ik had met mensen gepraat. Gelachen zelfs. Iemand vertelde dat haar eerste kopje meer op een soepkom leek. Dat hielp. En ik had iets gedaan wat ik normaal best spannend vind: gewoon alleen beginnen, zonder te weten of ik het leuk zou vinden of goed zou kunnen.
Morgen ga ik weer. Niet omdat ik inmiddels een verborgen talent heb ontdekt. Dat is er nog steeds niet. Maar omdat ik denk dat het misschien oké is dat dingen niet meteen een kopje zijn. Soms begint iets gewoon als klei.


